Het Friesch Dagblad & Ruth de Jong-Hotze

Waarom mag mevrouw De Jong van het Friesch Dagblad ongecorrigeerd en vrijelijk alle onzin van de wereld schrijven, vooral over Joden, Jodendom, Israel, Zionisme en hun vijanden? Zijzelf reageert ook nooit als je haar haar fouten toont.

Tot op heden nooit een inhoudelijke reactie van het Friesch Dagblad of mevrouw De Jong gehad.

Wie een krant schreef had vroeger gelijk. Je mocht dan niet alleen bepalen wat er in en niet in kwam, maar ook wat er voor correcties of tegenmeningen in kwamen. Die tijd is voorbij.

We zijn nu gedemocratiseerd en hebben het internet. Kranten die van hun macht misbruik maken door zaken vertekend voor te stellen en die ook geen weerwoord dulden, die kunnen we nu toch van repliek dienen.

Het valt te hopen dat de abonnee’s van het Friesch Dagblad uiteindelijk de weg naar dit blog vinden en dat dan de redactie gedwongen wordt om ook in dit geval de waarheid meer toe te laten, zoals het een fatsoenlijke krant betaamt.

Voor gemakkelijk lezen kunt u uw scherm op 200% zetten.

Het bedrog van de Moral Equivalence

In het Engels is dit soort bedrog bekend geworden onder de naam Moral Equivalence. Het is het onder één noemer brengen van twee geheel verschillende zaken die uiterlijk identieke kenmerken vertonen maar moreel volstrekt verschillend zijn. Deze debatertruc wordt vooral gebruikt om mensen om de tuin te leiden over Israël.

Een voorbeeld: “Een zelfmoordterrorist blies een Israëlisch bus op. 23 Joden werden gedood en 5 Palestijnen – wat jammer toch dat het conflict toch steeds weer aan beide kanten tot slachtoffers leidt.” Het bedrog verhult:

–   Het is niet een gelijkwaardig conflict. Het neutrale word “conflict” verdoezelt dat er een aanstichter en een slachtoffer zijn. De leiders van 250 miljoen Arabieren gunnen 6 miljoen Joden niet het bestaansrecht in hun omgeving. Een substantieel percentage van de Arabieren volgt de anti-Joodse propaganda of doet er niets tegen en er is bijna geen oppositie tegen deze oudste vorm van haat. De overgrote meerderheid van de wereldbevolking steunt de Arabieren en hun regeringen en persgenootschappen laten een dagelijkse stroom met valse beschuldigingen tegen Israël los. Dat alle mensen hieronder lijden maakt de positie van de aangevallene en de aanvallers nog steeds niet gelijk.

–   Vier van de Arabische doden waren toevallig in deze bus maar de actie was duidelijk tegen Joden gericht. Als hoogtepunt van gotspe werd dan de zelfmoordterrorist ook met de Arabische slachtoffers meegeteld. Natuurlijk is zo’n met haat gehersenspoelde jongeling die z’n leven vergooit met het verrichten van een oorlogsmisdaad (aanslag op de burgerbevolking) niet te benijden. Maar om hem nou gelijk te stellen met zijn slachtoffers, dat is toch wel erg grof.

Ruth bedient zich van hetzelfde stijlfiguur. Arabieren en Joden zijn beiden bang voor elkaar – wat jammer. En als je, zoals de meeste lezers van het Friesch Dagblad, niet op de hoogte bent met de plaatselijk details, dan zou je niet weten wat er mis is aan wat ze schrijft. Maar Ruth heeft zelfs ooit in Umm el Fachm gewoond; ze kent de plaatselijk werkelijkheid beter dan wie dan ook.

Allereerst laat ze weg dat een buitenproportioneel percentage van anti-Joodse moordenaars en terroristen in Israël uit Umm el fachm komt. Zoals elke man in een driedelig pak die niet lid van de maffia is bang hoort te zijn in een achterbuurt, zo is elke Jood bang in Umm el fachm. (Betekent dat dat alle mensen daar moordenaars zijn? Nee hoor, maar je moet knap gek zijn om daar als Jood niet bang te zijn. Dat geldt nog meer voor Joodse mannen dan voor vrouwen, want men vindt het vaak eerloos om vrouwen te vermoorden dus die zijn nou toevallig daarin net een beetje veiliger.)

Verder laat ze tactvol weg hoe dit kind dat “Jehoed” riep toch zo bang was. Ik kom ze tegen – kleine moslimkindertjes die in elkaar krimpen van angst zodra ze me zien, zich in doodsangst aan hun ouders vastklampen die dan niet zeggen: je hoeft helemaal niet bang te zijn, ga hem een hand geven. Nee, de ouders doen alsof er niets gebeurt. Niet alle moslimouders voeden hun kinderen zo op, maar sommigen dus wel.

Nu schakelt ze gelijk, de reële angst van een Jood om vermoord te worden in een vijandig dorp en de denkbeeldige angst van een moslimkind dat geleerd heeft dat Joden erger dan de duivel zijn. Beide angsten komen voort uit Jodenhaat – geen van de angsten komt voort uit Arabierenhaat. Maar dat mag de lezer niet weten. Beide groepen zijn bang – wat een “tragedie”, schrijft ze. Wat een bedrog.

Verder zet ze alle andere Joden die bang zijn in Umm el fachm neer als gekken en is ze zelf de grote held. Zij is een Jodin zoals ze allemaal zouden moeten zijn. Dat ze zelf de superheld van het verhaal wil zijn moet ze zelf weten. Als ze denkt dat haar ego dat nodig heeft moet ze dat vooral niet laten. (Hoewel ik me heb laten vertellen dat ze al zo’n grote ego heeft dat ze geen plaats heeft voor de waardigheid van enig ander behalve van mensen die geacht worden minderwaardig aan haar te zijn – hurkhouding.) Maar dat ze zich hier valselijk voor Jodin uitgeeft en dan ook nog alle andere Joden belachelijk maakt om hun reële angsten – kijk dat vind ik nou bezwaarlijk.

Weet u wie er ook zeeeeer bekwaam is?

Stel je nou voor. Er is iemand die zich uitgeeft voor natuurkundige. Zal de wereld wel even de natuurkunde uitleggen. Weet er niets van maar dat hindert haar niets. Schrijft leuk, onderhoudend, begrijpelijk, maar kennis heeft ze niet over te dragen. Is dat kwalijk? Iedereen mag toch schrijven wat ie wil? Zeker – zolang ze zich niet voor deskundige uitgeven van iets waar ze echt niets van weten.

Neem nou pop-psychologie. Iedereen mag er zoveel theorieën op nahouden als ie zelf wil. Maar als je iets op een populaire manier gaat uitleggen waar de deskundigen een eeuwenoude theorie over hebben die alles keurig en duidelijk verklaart, dan is dat raar, op z’n zachts gezegd.
We hebben hier een leek op therapeutisch en joods gebied die zo wel even een theorietje uit haar duim zuigt dat nergens op slaat. Niet alleen dat, ze laat het in de krant zetten als deskundige. Niet alleen dat, ze fantaseert er ook bij alle andere zaken lustig op los, over Joden, Jodendom, Israël, Zionisme en het hele Midden-Oosten. Moeten we dat gewoon laten lopen? Zijn we het niet verplicht aan de lezers die van niets weten om hen te laten zien dat ze geen deskundige is, dat ze uit haar nek kletst, dat ze een hele grote, onbeschaamde fantaste is? Vooral als ze haar deskundigheid stelselmatig gebruikt om Joden, Israël en het Zionisme in diskrediet te brengen. Haar “schattige” stukjes tussendoor dienen alleen om haar genegenheid te brengen zodat haar haatdragende stukjes er later beter in gaan.
Deze week “legt” Ruth iets “uit” over de gastvrijheid van de Arabieren. Nu begrijpt ze de Joden ook beter. Dat wordt dan hoog tijd want de enige Jood die ze kent is haar man. Maar ze is in een Arabisch dorp gaan wonen om de Joden te begrijpen? En chij cheleuft dat, zeggen ze bij ons in Schin op Geul.
We weten dat karaktereigenschappen overgaan van ouder op kind. Dat zit niet in het DNA maar is wel aangeboren. We nemen voor onze geboorte naar eigen keus karakters over van de volwassenen om ons heen. Zo zijn karakters aangeboren maar niet erfelijk. Dat zien we bij Joden en Arabieren, die elk de gastvrijheid van Abraham vertonen. Dat leren de rabbijnen ons al eeuwen, maar Ruth heeft een nieuwe theorie daarvoor ontwikkeld. Lees het Friesch Dagblad (of hierboven)!

Sprookjes van Moeder voor de onnozele Gans

Wat zal het deze week zijn? Altijd weer spannend. Een slager die vegetarisch is? Een neger die nog nooit racisme heeft meegemaakt? Nee hoor, deze week brengt ze een verhaal over een Palestijnse Arabier die tegen de Nazi’s vocht. Geen woord, natuurlijk, over dat het hele Palestijnse leiderschap Fout was in de WW II en met Hitler heulde. Ruth brengt verzoening der volkeren door het verleden te verzwijgen of verdraaien.

Je weet bij haar ook nooit wat er verzonnen of waar gebeurd is. Dat vindt ze nou leuk. Zoals een miljonair die winkeldiefstal niet kan laten. En dan nog liefst iets vlug onder de trui stopt wat zij echt niet nodig heeft. Een buitenkans. Ze lekker gefopt & niet betrapt. Maar zelfs als ze betrapt wordt vindt ze het leuk. Rode koontjes van opwinding.

Soms laat ze een steekje vallen en schrijft ze iets waarvan we zo kunnen weten dat het onzin is. Maar meestal kom je er pas na veel onderzoek of nooit achter. We weten alleen dat haar karakter niet te veel waarheid verdraagt. Deze keer waren het de mottenballen die zo naar haar toe rolden uit een gebouw waar mensen al geen decennia meer naar omkijken. Mottenballen vallen binnen 6 maanden uiteen tot een hoopje poeder en rollen dan volstrekt niet meer.

Dit zijn niet de Sprookjes van Moeder de Gans, dit zijn de sprookjes voor de onnozele Friesche gans.

Een testimonium paupertatis (bewijs van onvermogen) met lof

Ruth heeft zichzelf weer overtroffen. Wat een stapel onzin weer. Niet alleen weet ze van Joods toeten nog blazen (niet alleen over joods Nieuwjaar), ze is ook geheel onbeschaamd over dat iemand daar achter zal komen. Ze beschrijft niet een soort liberaal jodendom – ze beschrijft helemaal geen jodendom. Het doet denken aan een tienjarige (laat ik niets slechts zeggen over tienjarigen) die een werkstuk moet maken voor school, daar geen zin in heeft, een stuk van Wikipedia overschrijft onder het kijken naar zijn favoriete YouTube clips (dus hele stukken worden overgeslagen of komen verminkt op papier) en geeft dan iemand die er ook niets van weet maar goed Nederlands kan schrijven de vrije hand om er mooie zinnen van te maken. Het resultaat: een zootje onzin bij elkaar van iemand die wel de klok heeft horen luiden maar niet weet waar de klepel hangt. Wat dan weer aan het Friesch Dagblad en haar lezers verkocht wordt als informatie over Jodendom en Zionisme. Je zou het je bescheuren als het niet zo treurig was.

Waarom is dat nou zo belangrijk, dat er een juffrouw die zichzelf Joods noemt rondloopt die zegt dat ze d’r iets van weet? Je hebt een hoop ongeletterde Joden en uiteindelijk moet ze zelf weten wat ze vindt, toch?

Mijn redenen om dit alles aan te kaarten zijn (voor alle duidelijkheid):

a. Ze weet niet alleen niets van Jodendom – ze pleegt bedrog door zich voor te doen als Jodin en deskundige – tegenover niet-Joden.

b. Ze doet hetzelfde met Zionisme, wat erger is want ze pleegt niet alleen bedrog – ze zaait zo haat tegenover Joden en Israëli’s onder het motto voor de waarheid en recht op te komen – tegenover nietsvermoedende Friezen.

Zullen we haar verhaal dan nog maar een keertje langslopen en corrigeren, alle onzin?

  1. Men eet voor Jom Kiepoer helemaal geen twee maaltijden. Mensen die echt vasten, weten dat ze toch al een dag tevoren er goed over moeten nadenken wat ze eten en drinken – vooral niet te weinig en vooral niet te zwaar – en dan wordt ’s middags vlak voor de vasten een rijke maaltijd gegeten. Voor wie die eet en dan vast geldt dat men als het ware twee dagen vastte.
  2. We treden helemaal niet “voor de Troon.” Joden spreken in hun gebeden onbeschaamd over en tegen G^d, onze Vader, onze Koning. Dit soort rare symbolen zit helemaal niet in onze Joodse gebeden. Zal wel uit haar christelijke opvoeding komen. Een gebedenboek voor de Hoge Feestdagen (Machzor) met vertaling openslaan is kennelijk teveel gevraagd.
  3. Als Ruth Hebreeuws gaat “uitleggen” wordt het altijd dolle pret. We wensen elkaar “gemar wechatima tova” toe, (de “we” was ze vergeten of wist ze niet en dat betekent “en” en dan wordt het dus iets anders) wat betekent: een goed einde (op Hosjâ’na Rabba – veel hosanna’s, laatste dag van het Loofhuttenfeest) en een goede ondertekening (op Grote Verzoendag).
  4. Als het laatste licht diep rood prachtig zuiver afsteekt tegen het blauwzwarte firmament steekt ze een dikke kaars aan en zegent ze die. Welk geloof dat is zou ik niet weten. Het betekent in elk geval dat ze een kaars aanstak tijdens de Grote Verzoendag want als het laatste licht verdwijnt, is de heilige dag al dik bezig. Verder steken Joodse vrouwen twee kaarsen aan en daarbovenop nog eens een kaars voor 25 uur dat we aan het eind van de dag nog vuur hebben om de dag mee af te sluiten. Over die twee kaarsen maken we dan een zegenspreuk. Nee, we zegenen de kaarsen niet. Wat we wel doen is dat we G^d prijzen en Zijn Gebod tot het aansteken erkennen. We zeggen in adem ook een speciale zegenspreuk om uitdrukking te geven aan onze blijdschap dat we deze dag bereikt hebben. Ruth zegent alleen de kaars. (Natuurlijk mag zij als niet-Jodin op alle dagen van het jaar kaarsen aansteken; het probleem is dat ze haar voorstelling verkoopt als authentiek joods en eerlijk.)
  5. Dan komt er een ongrammaticale zin (of grammaticale onzin) over de eenheid van ons volk die we dan beleven. Weet ze nou echt niet dat als wij met de dag beginnen, ze in Japan al naar bed gaan en in Amerika net gaan eten? In het gebed spreken we ons vertrouwen uit dat uiteindelijk alle Joden en niet-Joden samen de ware G^d zullen erkennen en zo een wereldwijde eenheid zullen vormen.
  6. Ze bad in gedachte (joods bidden gaat met spreken, niet met denken) de gebeden van de mensen (durft niet Joden te schrijven?) in de synagoge mee, psalmen over berouw en het Koningschap G^ds. Geen woord over de ellenlange schuldbelijdenis die we 10 keer uitspreken. Die is zeer indrukwekkend omdat we door de samenstellers van de joodse gebeden van alles onder de neus worden gewreven waar we normaal liever niet zo bij stilstaan. Ruth weet van niets, natuurlijk. In haar verbeelding is ze Joods, in haar verbeelding zit ze in de synagoge en in haar verbeelding bidt ze de Joodse eredienst. In werkelijkheid is het allemaal doen alsof, je reinste bedrog.
  7. Om te laten zien dat ze niet alleen niets weet over Jodendom en er toch over durft te schrijven, besluit ze met een dol verhaal over een specht die als doel van zijn gehamer zou hebben het hout te vermurwen. Nou weet bijna iedereen dat a. het doel dat wij begrijpen van het gehamer van een specht is om insecten uit het hout te pesten zodat ie ze op kan eten (de een z’n dood is de ander z’n brood), en b. dat spechten niet doelbewust denken, maar gewoon doen wat hun instinkt zegt. Geeft niks, hoeft niet waar te zijn – moet alleen lekker lezen.

Volgende keer weer eens (op het zelfde waarheidsniveau – lees: vol politieke leugens) over het Zionisme. Want haar geschrijf over Jodendom is alleen om zichzelf als Jodenhater en antizionist te legitimeren als Jodin; daarna moet ze weer uitleggen hoe fout Joden toch zijn, en dat mag ze, want ze hoort er toch echt bij, en zij is een goede Jodin.

Deel tig over hoe vreselijk Israël toch wel is voor de Arabieren

Wederom lezen we van Ruth een sprookje dat ons verkocht wordt als geschiedenis.

Haar verhaal rammelt van de onzin, halve en hele onwaarheden, moedwillig uit hun verband gerukte feiten en omissies. Een vos verliest wel zijn haren maar niet zijn streken.

Ze gebruikt haar talent om mensen boeiend te beschrijven om wederom een verhaal op te dissen over hoe vreselijk Israël toch wel is voor de Arabieren. (Zij niet, natuurlijk – zij is een beter soort Jodin. Dat ze niet eens Joods is doet er dan niet eens meer toe. Ze verspreidt verhalen tegen Joden en daar gaat het om. Mensen die iets tegen Joden hebben zijn altijd grote leugenaars – nooit een eerlijke anti-Semiet gezien. Opvallend!)

Ze schrijft over een “voornamelijk christelijk” dorp genaamd “Sokhmata” waarvan alle inwoners in 1948 vluchtten, werden verdreven. Erg, toch? Ze heeft weer eens iets uit een of ander anti-Israël schotschrift overgeschreven en de details interesseren haar niet veel. Als de strekking maar overkomt: Joden deugen niet – de meesten dan – zij natuurlijk wel.

Nou even de feiten, voor we geheel het spoor bijster raken. Het dorp heette in het echt سحماتا Soech-ma-ta. (In het Engels wordt ch vaak als kh geschreven;  in het Hebreeuws kun je vaak het verschil niet zien tussen oe en oo.) In 1948 woonden er volgens Wikipedia 400, volgens Palestijnse bronnen 1200 mensen, waarvan er 64 christelijk waren (dus ongeveer 95% moslims en 5% christenen)! (Het dorp was net zo zeer christelijk als dat Ruth Jodin is.) De interreligieuze relaties waren goed zodat hun burgemeester een christen kon zijn (twee keer zelfs in de laatste eeuw). In 1948 vochten Joden drie jaar na de mislukte uitroeiing van de Joden in Europa voor hun leven tegen de legers van alle omringende Arabische landen daarbij bijgestaan door … niemand. De Verenigde Naties hadden gestemd voor een onafhankelijke Joodse staat, maar dat betekende niet dat men pro-Joods was. De politici die niet de spoorlijnen naar Auschwitch bombarderen lieten, keken nu ook lijdelijk toe hoe de Joden in het Beloofde Land onder de voet zouden worden gelopen. Men wilde gewoonweg niet dat de overlevenden van de Jodenvervolging weer terug naar Europa kwamen – alleen daarom stemde men in meerderheid voor een Joodse staat. Als die dan samen met de Joden die al in het Midden-Oosten woonden de zee in zouden worden gedreven, konden die mooi samen met de Joden van 40-45 herdacht worden. Het was voor velen kennelijk een rustgevende gedachte.

In deze onafhankelijkheidsoorlog waar de Joden vochten om hun leven en de Arabieren uit haat, wonnen de Joden dus. Haters van mensen verliezen uiteindelijk altijd, maar vraag niet hoeveel levens het kost. De noordelijke grens van de jonge Joodse staat was nog volkomen gevaarlijk met ver naar het zuiden opgerukt Syrische en Libanese troepen. Dus werd een poging gedaan om die te verdrijven en om in een moeite alle Arabieren daar weg te krijgen. Deze dorpelingen waren natuurlijk allemaal brave borsten. Die stonden echter niet aan de kant van de Joden die toch ook recht hadden om in het Land te wonen. Na meer dan een halve eeuw Zionisme was er niet een persoon in deze dorpen te vinden die zei dat ze best samen in een Land konden wonen. De eerste Zionisten wilden een binationale staat. Ook Einstein, om maar eens een beroemdheid te noemen was daar aanvankelijk voor. Maar helaas – it takes two to tango en de andere partij wou maar niet de dansschoentjes aantrekken. Natuurlijk was het zeuren geblazen toen ze onverwachts het onderspit dolven, maar ze werden niet de zee in gedreven – slechts geholpen om hun boeltje te pakken.

Ruth merkt zo zijdelings op dat de voorouders van deze mensen nog Joods waren geweest. Dat mag dan nog waar zijn, maar ze neemt wel heel grote stappen. Allereerst hadden de bewoners van het heilige land het voorrecht gehad om te kiezen tussen de dood of de Islam. De volgende bezetter gaf ze de vrolijke keus tussen door het kruisridderzwaard te vallen of zich te laten dopen. En toen kwam de Joodse overheersing. Die eiste dan men loyaal was of vertrok. Wat een verademing, zou ik zeggen.

Ruth eindigt met een onduidelijk verhaal over gezellig samen niet-koosjer eten. Altijd in voor een lolletje, als het maar niet te joods is, dus dat viel in goede aarde. Dit alles had ze te vertellen in de heiligste tien dagen van het joodse jaar, van Nieuwjaar tot Jom Kiepoer. “Weg met de Joden, leve mij!” lijkt haar wekelijkse leus. Zelfs in de Talmoed, die toch zo vol met afwijkende opmerkingen, verschillende standpunten en afvalligheid staat, vinden we zoveel schoons niet terug. Alleen in het Friesch Dagblad. Ze moesten zich schamen.

Knap hè?

Kijk: een konijn. Kijk: nu is het een muis! En kijk: nu is ie een blokje kaas. Knap hè? Dat zeggen we bij een goochelaar.

Maar als iemand nou de angst voor een oprukkende Islam in Europa omzet in een angst voor een oorlog van ons kleine land Israël tegen de Arabische massa’s met tienduizenden raketten en dat dan weer vertaalt tot een probleem met onszelf – kijk, dat is niet knap meer. Dat is bedrog.

Een goochelaar bedriegt niet – bij hem is het leuk. Maar een columniste in de krant die hetzelfde uithaalt: dat is een bedrieger. Jammer dat ze de verkeerde hobby koos.

Joden en Arabieren als één volk en andere onzin

Laten we maar weer eens van het begin tot het eind een aantal onzinpunten aan gaan wijzen. We zullen nooit weten of Ruth de feiten verdraait omdat ze haar onwelkom zijn, of omdat ze er niets van begrijpt of weet. We laten alleen zien wat een zootje ze er van maakt.

– Hij wilde de Jood Jezus begrijpen dus hij kleedde zich als Arabier en begaf zich tussen de Arabieren want dat zullen wel net zo zijn als Jezus was. Hoe krijgt ze de onzin bij elkaar. Wat is er mis om naar je Nederlandse Joodse buurman/vrouw te stappen als je iets van de Jood Jezus wilt begrijpen? Volgen Ruth zijn Joden en Arabieren dus eigenlijk één volk. En Duitsers en Nederlanders natuurlijk ook. Hoe verzint ze het en hoe durft ze te hopen dat iemand dit gelooft?

– “joodse menora” – is waarschijnlijk van een joodse rabbijn of joodse synagoge geweest.

– “joodse christenen” – ja hoor, daar gaat ze. En ze vergeet de islamitische christenen en de christelijke hindoes. Geweldig, zoals die haar fantasie de vrije loop laat. De Sprookjes van Ver-Ander-ze.

– In Peki’in werd alle jongetjes besneden. Dat is toch bijzonder voor christenen, maar voor Ruth is het vanzelfsprekend. En wij moeten dat dan geloven?

– De joden konden ook van het eten van de andere gelovigen eten. Wat heerlijk. En wij moeten geloven dat de Joden daar de spijswetten aan hun laars lapten?

– Het was altijd eenheid en saamhorigheid geblazen in Peki’in. Ik kan me echter herinneren dat Ruth schreef hoe de christenen zoetjesaan uit het dorp verdreven werden en hoe de huizen van de Joden werden afgebrand.  Het is een eenheid als in de National Brotherhood Week van Tom Lehrer: “And everybody hates the Jews.”

– De Druzen waren Zionisten maar … – weet Ruth – daartoe waren ze gedrongen. Gewoon verzonnen maar past naadloos in haar antizionistische verhaal.

– Er is tot haar verrassing hoop: de jonge Arabier gaat tegenwoordig vrijwillig het Israëlische leger in. De IDF ziet ze aan komen.